Virusuitbraak dreigt - aug 2007

2 augustus 2007
Opnieuw dreigt een virusuitbraak onder gewone zeehonden in de Waddenzee
Mogelijke gevolgen voor de populatie en een reflectie op het beheer ervan

Onder de gewone zeehonden in de Waddenzee treedt mogelijk opnieuw massasterfte op. Een zeehondenvirus heeft net als in 1988 en 2002 wederom de kop opgestoken. Op 23 juni j.l. zijn op het Deense eiland Anholt in de Oostzee onverwacht hoge aantallen dode zeehonden jongen gevonden met als doodsoorzaak een morbillivirus-infectie. Beleidsmakers, dierenbeschermers en wetenschappers hebben een grote verantwoordelijkheid als het gaat om de toekomst van deze prachtige diersoort. Menselijk ingrijpen in de vorm van grootschalige opvang van zieke dieren, lijkt de meest ethische en humane wijze van optreden. Maar is dat wel zo? Het is vanzelfsprekend dat dood gevonden dieren worden verzameld en opgehaald. Alleen al uit gezondheids-hygiënische overwegingen is dat zeer aan te raden. Tegelijkertijd wijzen wij op de gevaren van ondoordacht menselijk ingrijpen. Om de zeehond te beschermen, moeten we keuzes maken. Kiezen we voor de zwakke dieren, of voor de sterke? Kiezen we voor het individu, of voor de soort? Het opvangen en weer genezen van de minder aangepaste dieren uit de populatie brengt zekere gevaren met zich mee voor de soort als geheel. De Waddenzee is nu eenmaal geen dierentuin of boerderij waar de mens volledige controle over de gang van zaken heeft, maar een natuurgebied waar natuurlijke processen voorop staan en natuurlijke sterftefactoren hun tol kunnen eisen.

Populatieontwikkeling in relatie tot eerdere virusuitbraken
Foto: Klaas Kreuyer De populatie gewone zeehonden in de Waddenzee heeft de laatste vijftig jaar opmerkelijke ontwikkelingen doorgemaakt. In het midden van de jaren zeventig waren er door onder andere bejaging en verontreiniging nog slechts zo'n 500 dieren in de Nederlandse Waddenzee. Door het stoppen van de jacht in Duitsland en Denemarken in die tijd nam de emigratie naar het Nederlandse waddengebied toe. De populatie groeide hier met gemiddeld 8% per jaar tot bijna 1600 dieren in 1987. In 1988 brak een virusepidemie uit waardoor bijna 60% van de dieren stierf. In de jaren daarna herstelde de populatie zich opmerkelijk snel in de gehele Waddenzee. Tussen 1989 en 2001 bedroeg de gemiddelde jaarlijkse toename in de gehele Waddenzee 12% en in Nederland ruim 16.5%. Dat verschil werd voornamelijk veroorzaakt door immigratie uit Duitsland en Denemarken. In de Nederlandse Waddenzee werd het aantal dieren in 2001 op circa 5300 geschat, en de totale populatie in de internationale Waddenzee op circa 28.500 stuks.
In 2002 brak weer een virusepidemie uit, waarbij circa 50% van de populatie is gestorven. De populatie herstelde zich opnieuw voorspoedig en in 2006 zijn in de Nederlandse Waddenzee circa 4000 dieren geteld. Zeehonden worden het best vanuit een vliegtuig geteld. Uit eigen onderzoek blijkt dat ongeveer een derde van de populatie niet wordt gezien tijdens de vliegtuigtellingen. De werkelijke populatieomvang in de Nederlandse Waddenzee in 2006 is daarom op ongeveer 6000 dieren geschat en die in de internationale Waddenzee op ruim 23.000 dieren.

Afgezien van de gunstige status in populatieomvang, is diezelfde populatie ook in kwalitatieve termen sterk verbeterd. De gezondheid van de populatie is in 1989-2001 sprongsgewijs verbeterd ten opzichte van de periode voor 1988. De gezondheid van een populatie kan worden afgemeten aan het reproductievermogen en de overleving van de individuele dieren waaruit de populatie bestaat. Het geboortepercentage is gestegen van 13% vòòr 1989 naar 23% nadien en de jeugdmortaliteit is gedaald van 65% naar circa 35%. De sterfte onder sub-adulten en adulten is gedaald van 12% naar 6%. Daardoor is de levensverwachting van een pasgeboren jong gestegen van ongeveer 4 jaar naar bijna 10 jaar. Deze veranderingen verklaren, samen met de immigratie vanuit het Duitse en Deense deel van de Waddenzee, grotendeels de sterke populatiegroei van gemiddeld 16,5% per jaar tussen 1989 en 2001. Immigratie draagt naar schatting een kwart (4%) daaraan bij. Ook na de tweede epidemie zijn de populatieparameters groei en reproductiepercentage (gemiddeld 22%) onverminderd hoog gebleven. De groei van de Nederlandse populatie na 2002 (gemiddeld 20%) is zelfs nog sterker dan voorheen. Het mag hieruit duidelijk zijn dat in plaats van een hulpbehoevende soort, de zeehond weer een zelfstandig functionerende onderdeel van het Waddenecosysteem is geworden. Uit de aanhoudende hoge groeisnelheid tot 2002 kan bovendien worden afgeleid dat de populatieontwikkeling bij die omvang nog niet door de draagkracht van het gebied werd beperkt.

Welke gevolgen voor de populatie zijn te verwachten?
Nu dreigt er mogelijk opnieuw gevaar voor de populatie. Evenals in 1988 en 2002, toen massale sterfte optrad, is weer een virusuitbraak gesignaleerd. Opmerkelijk genoeg ook deze keer weer in Anholt in de Oostzee. Gevreesd wordt dat als deze uitbraak doorzet, het ook in de Waddenzee zal toeslaan. Er zijn twee plausibele hypothesen voor deze nieuwe uitbraak: 1) er zijn daar enkele permanent geïnfecteerde dieren (een "reservoir" van dieren die het virus steeds weer doorgeven) of 2) het virus is opnieuw door een zeedier van elders meegebracht. In beide gevallen gaat het om een natuurlijk verschijnsel. De gevolgen zijn op dit moment moeilijk te voorspellen. Onder aanname dat het virus zich weer verspreid, het dezelfde sterfte onder niet immune dieren veroorzaakt, de overlevenden in 2003 immuun voor het virus zijn en dat de groei van de populatie van 2006 naar 2007 dezelfde zal zijn als in de jaren 2002-2006, zal naar verwachting de epidemie tot 40% van de populatie doden, maar mogelijk minder (zie referentie lijst voor achtergrondgegevens). Naar schatting kan de epidemie tot 40% van de populatie doden, maar mogelijk minder. Deze verwachting stoelt op het feit dat nu een nog groter percentage van de populatie (circa twee-derde) dan in 2002 anti-lichamen tegen het virus heeft en ze verder minder kwetsbaar zijn dan in het verleden. Dat laatste onder andere doordat de gemiddelde gehaltes aan verontreinigingen (PCB's, DDT e.d.) in adulte zeehonden van de Waddenzee ten opzichte van 1988 met 45% en t.o.v. de mid-jaren zeventig zelfs met bijna 80% zijn gedaald. Er zijn overigens wel "nieuwe" verontreinigingen bijgekomen, zoals organotin en vlamvertragers. Monitoring van de "klassieke" en van deze nieuwe stoffen in het milieu is daarom een goede zaak. Ondanks het feit dat er nog steeds verontreinigingen in het zeehondenweefsel zitten, is er niets grondig mis met hun afweersysteem. Immers, na 1989 en 2003 is de populatie gegroeid met een snelheid die ligt rond het biologisch haalbare van de soort, met een uitstekend geboortecijfer en een zeer goede overleving.

Hoe om te gaan met eventuele nieuwe virusslachtoffers?
Evenals voorgaande keren dringt zich ook nu de maatschappelijke vraag op hoe we moeten omgaan met de dreiging van een nieuwe epidemie. Het gaat daarbij vooral om de vraag of de mens moet ingrijpen door zoveel mogelijk zieke (gestrande) dieren op te vangen, of juist niet. Het belangrijkste, zo niet enige, criterium daarbij is de vraag wat het beste is voor de toekomst van de gehele zeehondenpopulatie. Bij het beantwoorden van die vraag spelen diverse randvoorwaarden en overwegingen een rol. We noemen hieronder de belangrijkste:

wettelijke kaders voor het beheer
De Waddenzee is een internationaal erkend natuurgebied. Dat betekent dat het beheer ervan is vastgelegd in wettelijke kaders. Daarbij gaat het onder andere om de Nota Ruimte, de PKB-Waddenzee, de Trilaterale Waddenzee Overeenkomst (gesloten tussen Nederland, Duitsland en Denemarken) en de Habitatrichtlijn van de Europese Unie. Daarnaast gelden ook de Flora- en Faunawet en de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. In zijn algemeenheid stellen bovengenoemde regelingen dat het ingrijpen van de mens in de natuur tot het minimum beperkt moet blijven, en dat de mens alle negatieve gevolgen voor de natuur zoveel mogelijk moet voorkomen. Natuurlijke processen moeten in internationaal erkende natuurgebieden zoveel mogelijk hun eigen loop hebben. De Welzijnswet kent daarentegen een 'zorgplicht' die hiermee in tegenspraak lijkt. Het niet-ingrijpen in natuurlijke processen is daarmee echter niet strijdig. De zorgplicht betreft vooral problemen die zijn veroorzaakt door menselijk handelen, zoals bijvoorbeeld een olieramp (overigens kent een zorgplicht twee kanten: opvangen of uit het lijden verlossen). Daarnaast kan menselijk ingrijpen in dierpopulaties om de soort in stand te houden ook noodzakelijk zijn als de populatie onder een kritische grens komt.

ecologische aspecten van beheer inclusief opvang
In het Trilaterale Vijfjaren Beheersplan voor Zeehonden in de Waddenzee (2002-2006, vastgesteld door de verantwoordelijke ministers van de drie waddenlanden) staat dat de opvang van zeehonden tot een zo laag mogelijk niveau moet worden teruggebracht, rekening houdend met ethische opvattingen en wetgeving per land. Dat ministeriële standpunt is gebaseerd op het feit dat de populatie bijzonder krachtig is zodat opvang voor het voortbestaan ervan niet nodig is. Daarnaast zijn er ecologische risico's verbonden aan het opvangen en weer vrijlaten van herstelde dieren. Een van de meest fundamentele daarvan is de beïnvloeding van de natuurlijke selectie. Natuurlijke selectie houdt in dat de zwakste of minst aangepaste dieren sterven en de sterkste overleven, waardoor de populatie als geheel een betere en zekerder toekomst tegemoet gaat. Het opvangen en weer loslaten van de zwakste dieren, dat wil zeggen dieren met een slechte conditie of genetisch mindere constitutie (bijvoorbeeld die dieren die het meest gevoelig zijn voor het virus), kan derhalve leiden tot een populatie die als geheel kwetsbaarder is. Geen ingrijpen door de mens vergroot vanwege dit ecologische principe de kans dat de huidige epidemie minder groot van omvang zal zijn dan wel wordt gevreesd. Daarnaast bestaat door opvang het gevaar van het introduceren van (andere) virussen en pathogenen in de wilde populatie, en verstoring van de 'wildheid' van de populatie door het beïnvloeden van natuurlijke regulatieprocessen. De hoogte van de risico's van interferentie met natuurlijke processen door de opvang van zieke dieren wordt bepaald door de omvang van die opvang. Die dient vanuit ecologisch oogpunt dus zo klein mogelijk te zijn. Het minimale opvangbeleid uit het Trilaterale Beheersplan is dan ook in meer of mindere mate doorgevoerd in de gehele Waddenzee, behalve in Nederland. In Nederland zijn tussen 1996 en 2000 procentueel bijna acht keer zoveel nul- tot éénjarige dieren opgevangen dan in alle andere Waddenlanden samen.

ethische en emotionele aspecten bij het beheer
Zeehonden zijn prachtige, intelligente en sociale zoogdieren. Zij zijn erg aansprekend en ze zijn - in figuurlijke zin - in hoge mate aaibaar. En net zoals bij grote zoogdieren in het bos hebben wij mensen het buitengewoon moeilijk als wij zien dat deze dieren in nood verkeren. Wij trekken ons hun lot aan, en willen graag helpen. Wij kunnen dat ook, in zeehondenopvangcentra. En het is een prachtig gezicht om een dier dat doodziek is binnengebracht, na verloop van tijd weer vrolijk spartelend in de zee terug te kunnen zetten. Dat dit voor het individuele dier de beste oplossing is, zal duidelijk zijn. Belangrijk is echter ook de vraag of dit voor de soort in zijn geheel de beste oplossing is.De Waddenzee is ons grootste natuurgebied (op de Noordzee na), maar tegelijkertijd is er sprake van menselijk medegebruik van allerlei aard. Diverse belangengroeperingen mengen zich dan ook met enige regelmaat in de discussie over het beheer en gebruik van de Waddenzee: de industrie, de recreatiesector, de visserij, dierenbeschermers, natuurbeschermingsorganisaties enzovoort. Wij als IMARES, zijn geen partij in deze discussies, maar proberen door onafhankelijk en wetenschappelijk onderzoek feiten en risico's in beeld te brengen en scenario's op te stellen. Uitgangspunt bij het opstellen van scenario's is het wettelijke kader van de Waddenzee als internationaal belangrijk natuurgebied. Voor dit kader bestaat ook een groot maatschappelijk draagvlak. Ook de industrie, de recreatie en de visserij erkennen de beschermde status van de Waddenzee en handelen zoveel mogelijk dienovereenkomstig. Uiteraard willen natuurbeschermingsorganisaties het menselijk medegebruik zoveel mogelijk terugdringen, zeker daar waar dit mogelijk ecologische risico's met zich meebrengt, zoals bij gasboringen of schelpdiervisserij. Over het principe van 'de natuur heeft voorrang' bestaat in Nederland grote consensus.

Ten aanzien van de reactie van de mens op het uitbreken van het virus, en de vraag of de opvang en verzorging van zoveel mogelijk zieke dieren wel of niet gewenst is, dient volgens ons het belang van de soort voorop te staan. Het belang van het met zo min mogelijk menselijk ingrijpen handhaven van een sterke en stabiele zeehondenpopulatie in de Waddenzee is zowel in ecologisch als maatschappelijk opzicht onomstreden. Uitgaande van het grootste 'rampscenario', namelijk dat in de komende maanden circa 40% van de dieren aan het virus ten onder zal gaan, bedraagt de omvang van de resterende populatie daarna alleen al voor de Nederlandse Waddenzee nog altijd zo'n 3500 dieren. Dat is het zevenvoudige van de minimum omvang van een levensvatbare populatie (500 dieren). De ervaringen met de epidemie van 1988 leren dat er duidelijk sprake is geweest van natuurlijke selectie ten faveure van de fittere dieren. De populatieparameters (groei, geboorte, overleving van zowel jonge als oudere dieren) zijn na de epidemie significant beter dan daarvoor. De huidige populatie is dus fitter dan voor de virusuitbraak. Met andere woorden: ook in het ergste geval is het voortbestaan van de soort niet in gevaar. In ecologisch opzicht is er dus geen enkele reden om het beleid zoals vastgelegd in het Trilaterale Beheersplan te wijzigen. In tegendeel, het zou vanwege eerder genoemde risico's en nadelen eerder restrictiever moeten worden.

Een vervolgvraag is uiteraard of we uit het oogpunt van dierenwelzijn niet toch de opvang moeten intensiveren, ook al is hiertoe geen ecologische noodzaak. Het belang van dierenwelzijn weegt zwaar in een verantwoordelijke maatschappij, maar we moeten ons wel blijven realiseren dat de Waddenzee nu eenmaal een natuurgebied is, waar natuurlijke processen voorop staan en natuurlijke sterftefactoren hun tol kunnen eisen.Van belang daarbij is de wetenschap dat opvang averechts werkt op het natuurlijke selectieproces dat, zoals hierboven aangetoond, voor de soort als geheel positief heeft gewerkt bij de epidemie in 1988. Daarnaast bestaat het risico dat door het uitzetten van dieren die in opvangcentra hebben verbleven ook andere ziekteverwekkers in de populatie worden gebracht. Dat is een belangrijke reden om toch buitengewoon terughoudend te zijn met het opvangen en weer uitzetten van zieke dieren. De kans dat de populatie als geheel schade wordt aangedaan, is daarvoor te groot. Omdat het gaat om een Waddenzee met een blijvend vitale populatie zeehonden, is het belangrijk dat dergelijk risico zo klein mogelijk wordt gehouden en niet door de dramatiek van de dag (waarvan we allemaal hopen dat die niet zal komen) wordt vergeten.

Verzamelen van dode dieren en gerelateerd onderzoek
Het is vanzelfsprekend dat dood gevonden dieren worden verzameld en opgehaald. Alleen al uit gezondheids-hygiënische overwegingen is dat zeer aan te raden. Ten aanzien van de reactie van de mens op het uitbreken van het virus, en de vraag of de opvang en verzorging van zoveel mogelijk zieke dieren wel of niet gewenst is, dient het belang van de soort voorop te staan. Het is evenals in 1988 en 2002 zowel voor het beleid als voor het wetenschappelijk onderzoek van belang dat ook in Nederland een representatieve bemonstering plaatsvindt van gestorven dieren. Naast het registreren van de aantallen gestorven dieren gedurende het verloop van de epidemie is het nodig weefsels, organen etc. te verzamelen voor verder wetenschappelijk onderzoek op het gebied van o.a. populatie-ecologie, virologie en toxicologie. Het hanteren van een "Operationeel Draaiboek Zeehonden" zoals ook in 2002 is gebeurd, is daarbij een zeer nuttig instrument. Dit zal eveneens op trilateraal niveau worden gecoördineerd.

Laatste stand van zaken
Op 23 juni j.l. is een onverwacht hoog aantal dode zeehonden jongen gevonden op het Deense eiland Anholt in de Oostzee. Op 4 juli zijn 33 dode dieren gevonden op het naburige eiland Hesselø. Kort daarop zijn enkele dode dieren gevonden met symptomen van de zeehondenziekte (analoog aan de epidemie in 2002) aan de Zweedse westkust. In totaal waren er in het Kattegat tot en met 12 juli, 100 zeehonden dood gevonden. Het is nog niet bekend of het virus in de doodgevonden dieren hetzelfde is als dat gevonden in 1988 en 2002. Wel is duidelijk dat het tot de familie morbillivirussen behoort, maar naar verdere typering wordt nog onderzoek verricht. Er zijn sinds 24 juli geen nieuwe dode dieren meer in Denemarken gevonden, hetgeen er op kan duiden dat de epidemie daar mogelijk uitdooft. Maar op 22 juli is 1 dier bij Varberg (noordoost van Anholt aan de Zweedse westkust) gevonden, op 25 juli 1 dier bij Lysekil (boven Göteborg) en tot 1 augustus circa 4 per dag tussen Lysekil en Helsingborg. Een ervaren Zweedse dierenarts, zeer goed bekend met de ziektebeelden van de virus slachtoffers uit 1988 en 2002, heeft bij een dier verzameld bij Ven (eilandje in de Øresund, poort naar de Oostzee) geconstateerd dat de symptomen identiek waren aan die hij had aangetroffen bij virusslachtoffers in 1988 en 2002. Dat is meer dan genoeg reden om er alert op te blijven of het virus zich nog verder langs de Zweedse kust en Noorse zuidkust verspreidt en naar de Waddenzee overspringt.

Referenties
Dietz, R., M.P. Heide-Jorgensen & T. Härkönen 1989. Mass deaths of harbour seals (Phoca vitulina) in Europe. Ambio 18: 258-264.

Härkönen, Tero, Rune Dietz, Peter Reijnders, Jonas Teilmann, Karin Harding, Ailsa Hall, Sophie Brasseur, Ursula Siebert, Simon J Goodman, Paul D Jepson, Thomas Dau Rasmussen, Paul Thompson 2006. The 1988 and 2002 phocine distemper virus epidemics in European harbour seals. Dis. Aquat. Organ. 68: 115-130.

Jensen, T., M. van de Bildt, H.H. Dietz, T.H. Andersen, A.S. Hammer, T. Kuiken & A. Osterhaus 2002. Another phocine distemper outbreak in Europe. Science 297: 209.

Reijnders, P.J.H., E.H. Ries, S. Tougaard, N. Nørgaard, G. Heidemann, J. Schwarz, E. Vareschi & I.M. Traut 1997. Population development of harbour seals Phoca vitulina in the Wadden Sea after the 1988 virusepizootic. J. Sea Res. 38: 161-168

Reijnders, P.J.H., S.M.J.M. Brasseur & A.G. Brinkman 2003. The phocine distemper virus outbreak of 2002 amongst harbour seals in the North Sea and Baltic Sea: spatial and temporal development, and predicted population consequences. In: CWSS (eds), Management of North Sea harbour and grey seal populations. Proceedings of the International Symposium at EcoMare, Texel, The Netherlands, November 29-30, 2002. Wadden Sea Ecosystem No. 17, 19-25. Wadden Sea Secretariat, Wilhelmshaven, Germany.

Reijnders, Peter, Kai Abt, Sophie Brasseur, Svend Tougaard, Ursula Siebert & Ekkehard Vareschi 2003. Sense and Sensibility in Evaluating Aerial Counts of Harbour Seals in the Wadden Sea. Wadden Sea Newsletter 28: 9-12.

Reijnders, P.J.H., B. Reineking, K.F. Abt, S.M.J.M. Brasseur, C.J. Camphuysen, M. Scheidat, U. Siebert, M. Stede, J. Tougaard & S. Tougaard 2005. Marine mammals. In: K. Essink. C. Dettman, H. Farke, K. Lauersen, G. Lüerssen, H. Marencic & W. Wiersinga (eds), QSR Wadden Sea 2004. Wadden Sea Ecosystem No. 19, 317-330.

Reijnders, Peter J.H., Sophie M.J.M. Brasseur, Kai F.Abt, Ursula Siebert, Michael Stede & Svend Tougaard 2006. Aerial surveys of harbour and grey seals in the Wadden Sea in 2006. Wadden Sea Newsletter 32: 9-11.

Relevante links
www.waddensea-secretariat.org/news/news/Seals/seals-2007-pdv.html
www.nrm.se/saldoden2007

  
Print deze pagina