Visie op de status en het beheer van de gewone zeehondenpopulatie in de Waddenzee
Inleiding
Sinds 1960 wordt de gewone zeehondenpopulatie in de Nederlandse Waddenzee per vliegtuig geteld (figuur 1). Daaruit kan worden afgeleid dat de populatie in de laatste decennia opmerkelijke ontwikkelingen heeft doorgemaakt. Aanvankelijk door overbejaging en later door de invloed van verontreinigingen zakte de populatie in de Nederlandse Waddenzee naar een dieptepunt van circa 500 dieren in het midden van de jaren zeventig. Nadat in 1975 en 1976 de jacht in Duitsland respectievelijk Denemarken werd gestopt, nam de emigratie naar de Nederlandse Waddenzee toe en groeide de populatie met gemiddeld 8% per jaar totdat in 1988 een virusepidemie in de Noordzee en Waddenzee uitbrak. Door de daarmee gepaard gaande grote sterfte bedroeg het in 1989 getelde aantal van 535 slechts 40% van het aantal dat zonder de epidemie was voorspeld. Daarna herstelde de populatie zich opmerkelijk snel in de gehele Waddenzee. De gemiddelde jaarlijkse toename in de gehele Waddenzee bedroeg in die periode 12% en in Nederland ruim 16.5%. Dat verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door immigratie uit Duitsland en Denemarken. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 30% van de populatie niet wordt gezien tijdens de vliegtellingen. Dit houdt in dat de werkelijke populatie in de Nederlandse Waddenzee in 2001 op circa 5300 dieren werd geschat, en de totale populatie in de internationale Waddenzee op 28.500 stuks.
Op basis van het snelle herstel en de verdere ontwikkeling van de populatie is in Trilateraal Verband (Denemarken, Sleeswijk Holstein / Nedersaksen en Nederland) een discussie op gang gekomen over een herijking van het beheer van de zeehondenpopulatie. Dit heeft zijn weerslag gevonden in het nu door een Trilaterale Werkgroep geformuleerde concept “Trilaterale Beheersplan Zeehonden in de Waddenzee (2002-2006)”, dat aan de verantwoordelijke overheden in de drie Waddenzee landen is aangeboden ter goedkeuring. Twee prioritaire beheersvraagstukken daarin zijn met name de consequenties van de groeiende zeehondenpopulatie ten aanzien van de recreatie en van de visserij.
In 2002 brak opnieuw een virusepidemie uit, waarbij circa 50% van de populatie is gestorven. Tijdens de telling in het Nederlandse waddengebied in 2003 werden bijna 2400 dieren gezien. De populatie herstelde zich voorspoedig en in 2005 zijn circa 3500 geteld, hetgeen overeenkomt met een werkelijke populatieomvang in de Nederlandse waddenzee van ongeveer 5000 stuks.
 |
|
Fig. 1 Jaarlijks getelde aantallen zeehonden in de Nederlandse Waddenzee van 1960-2005 |
Huidige en toekomstige status van de populatie
Afgezien van de gunstige status in kwantitatieve zin is de populatie ook in kwalitatieve termen sterk verbeterd. De gezondheid van de populatie is in 1989-2001 sprongsgewijs verbeterd ten opzichte van de periode voor 1988. De gezondheid van een populatie kan worden afgemeten aan het reproductievermogen en de overleving van de individuele dieren waaruit de populatie bestaat. Het geboortepercentage is gestegen van 13% voor 1989 naar 23% nadien en de jeugdmortaliteit is gedaald van 65% naar circa 35%. De sterfte onder sub-adulten en adulten is gedaald van 12% naar 6%. Daardoor is de levensverwachting van een pasgeboren jong veranderd van ongeveer 4 jaar naar bijna 10 jaar. Deze veranderingen verklaren, samen met de immigratie vanuit het Duitse en Deense deel van de Waddenzee, grotendeels de sterke populatiegroei van gemiddeld 16,5% per jaar tussen 1989 en 2001. Immigratie draagt daar naar schatting circa 4% aan bij. Ook na de tweede epidemie zijn de populatieparameters groei en reproductiepercentage (gemiddeld 23%) onverminderd goed gebleven, de groei (23%) zelfs nog sterker dan voorheen.
Het mag hieruit duidelijk zijn dat in plaats van een hulpbehoevende soort, de zeehond weer een zelfstandig functionerende component van het Waddenecosysteem is geworden. Uit de aanhoudende hoge groeisnelheid tot 2002 kan bovendien worden afgeleid dat de populatieontwikkeling bij die omvang nog niet door de draagkracht van het gebied werd beperkt.
De huidige fysiologische conditie van de populatie is niet exact aan te geven. Gegevens daaromtrent uit pathologisch onderzoek zijn schaars en worden bovendien veelal verzameld via sectie op doodgevonden dieren waardoor geen representatief beeld van de wilde populatie wordt verkregen. Veranderingen in het aantal opgevangen levende jongen zouden een indirecte aanwijzing kunnen zijn voor mogelijke veranderingen in de conditie van de populatie, mits bekend is of er in die periode geen veranderingen in zoekinspanning en weersomstandigheden zijn opgetreden. Onder aanname dat de zoekinspanning en weersomstandigheden gelijk zijn gebleven is berekend dat de sinds 1989 geconstateerde toename van het aantal opgevangen dieren in Nederland grotendeels kan worden verklaard door de populatiegroei. Daaruit kan worden afgeleid dat die mogelijke indicator voor de fysiologische conditie van de populatie parallel loopt met de demografische ontwikkeling. In de laatste paar jaren voor de 2002 epidemie is de toename van het aantal opgevangen dieren hoger geworden. Het is onduidelijk of dit hoge aandeel samenhangt met een toegenomen percentage zieke dieren in de populatie, of een verandering in zoekinspanning en/of weersomstandigheden. Echter, een populatie die voor en na de epidemie in 2002 groeit met een snelheid die vrijwel gelijk is aan de elders vastgestelde, intrinsieke groeisnelheid van deze soort, moet impliciet een goede fysiologische conditie hebben.
Op grond van voornoemde gegevens over de demografische en fysiologische conditie van de populatie luidt de conclusie dat de huidige status van de populatie goed is te noemen.
De toekomstige status van de populatie kan worden beschreven als de toekomstige populatieontwikkeling is te voorspellen en te relateren aan de draagkracht van het gebied. Een voorspelling van de aantalsontwikkeling en de daaraan gekoppelde demografie kan worden uitgevoerd met behulp van de langjarige telserie van Alterra, waarmee een grondige trendanalyse kan worden uitgevoerd. Op grond daarvan kunnen populatie-modelleringsstudies worden uitgevoerd aan de hand van diverse scenario’s. Die scenario’s verschillen omdat door het benaderen van de draagkracht van het gebied, dichtheidsafhankelijke regulatiemechanismen in de populatie zullen optreden. Dat zijn o.a. verhoging van geslachtsrijpe leeftijd, afnemende vruchtbaarheid bij vrouwelijke zeehonden, toenemende jeugdsterfte en uiteindelijk een toenemende subadulte en adulte sterfte. Daardoor treden verandering op in populatiestructuur en zal zich een nieuw populatie-evenwicht instellen. Die veranderingen zullen weerspiegeld worden in de aantallen jaarlijks getelde dieren en de daaruit berekende groei, geboortepercentage en overleving. Monitoring van de populatie via een standaard methode is cruciaal om te zien of de populatie inderdaad naar een nieuw evenwicht toegaat en volgens welke van de gemodelleerde trajecten.
Afgaande op de huidige populatietoename zal de zeehondenpopulatie voorlopig blijven groeien. Omdat de groeisnelheid tot 2002 nog niet was afgevlakt is niet precies aan te geven hoe lang die groei en met welk tempo, zich zal voortzetten. Dat hangt af van de draagkracht van het leefgebied (voedselaanbod, voedselkwaliteit, ligplaatsen om te rusten en jongen te werpen en te zogen), en van invloeden van omgevingsfactoren zoals b.v. een olieramp, waterverontreiniging, opvang, virusepidemie, jacht. Veel van beide typen factoren zijn gekoppeld aan menselijke activiteiten in en rond het waddengebied. De mate waarin menselijke activiteiten gaan interfereren met de zeehondenpopulatie zal afhangen van de beleidskeuzes die t.a.v. het beheer zullen worden gemaakt.
In elk geval zal bij de huidige populatiegroei het absolute aantal huilers (niet gespeende solitaire jongen) en zieke zeehonden jaarlijks toenemen. Daarnaast zal ook het percentage huilers en zieke zeehonden toenemen naarmate de populatie de draagkracht dichter nadert. Dit is geen kenmerk van een populatie “in slechte doen”, maar van een zich natuurlijk ontwikkelende populatie die de draagkracht van zijn leefgebied bereikt. Bij een natuurlijke populatie hoort ook natuurlijke selectie en het sterven van de zwakke, minder goed aangepaste dieren dat daarmee gepaard gaat.
Vragen over de toekomst
Draagkracht van de Waddenzee voor gewone zeehonden
Een van de keuzes waar het beleid voor staat, is het al dan niet vaststellen van een streefwaarde voor de populatieomvang. Daaraan kunnen immers de (voor)genomen beheersmaatregelen worden getoetst die direct of indirect invloed hebben op de status van de zeehondenpopulatie. Als richtsnoer voor een streefwaarde (door het beleid nagestreefde omvang) zou de bandbreedte voor de referentiewaarde kunnen dienen die door Alterra is berekend en die tussen de 6.000 en 16.000 dieren ligt. Deze referentiewaarde is de geschatte populatiegrootte rond 1900, met aftrek van de toenmalige aantallen in de Zuiderzee en de Lauwerszee. De ondergrens van 6000 is inmiddels bijna bereikt en met de huidige populatiegroei zal de bovengrens binnen 8 jaar kunnen worden bereikt. Om een streefwaarde te kunnen vaststellen en/of de belangen van de zeehonden te wegen tegen andere aanspraken door medegebruikers van het gebied, zal het noodzakelijk zijn de draagkracht van het gebied vast te stellen. Door verschillende scenario’s te hanteren op basis van habitateisen (b.v. omvang van rustgebieden, minimaal vereiste waterkwaliteit, voedselaanbod) van zeehonden en verschillende “gewichten” voor eisen van andere gebruikers, is het mogelijk voor diverse opties de consequenties voor de populatieomvang aan te geven. De draagkracht van de Waddenzee is derhalve mede afhankelijk van bepaalde beheerskeuzes. Het is daarbij van belang om de habitateisen van de zeehonden te kunnen bepalen en de populatie goed te blijven monitoren om daarmee tijdig een eventuele afvlakking van de groei te registreren en het niveau van stabilisatie in te kunnen schatten en het beheer zonodig bij te stellen.
Populatiegroei en mogelijke belangenconflicten met andere gebruikers zoals de visserij en de recreatie
Los van de exacte populatietoename dienen zich twee andere beleidsvraagstukken aan: 1) het vraagstuk hoe de stijgende behoefte aan ruimte voor o.a. de recreatie in de Waddenzee in te passen in het groeiende ruimtelijke beslag van de toenemende zeehondenpopulatie en 2) het voorkomen van conflicten tussen de visserij en de groeiende zeehondenpopulatie.
Om tot een oplossing van het eerste vraagstuk te komen valt te denken aan een gewijzigd beleid t.a.v. rustgebieden. De diverse opties daarbij en het inschatten van de consequenties ervan vereisen een grondige kennis van de invloed van verstoring op het habitatgebruik en de fysiologie van zeehonden. Daarnaast is kennis nodig over de aard en de omvang van de toekomstige recreatieve behoefte. De kennis op het terrein van de habitateisen van de zeehond, het meten van de fysiologische respons op verstoring, en de recreatie-sociologische onderbouwing van recreatieve behoeften is momenteel onvoldoende om dit probleem goed te overzien.
Het vraagstuk van conflicten tussen zeehonden en visserij zal in fasen moeten worden aangepakt. Eerst zal moeten worden vastgesteld of er wel sprake is van een werkelijk belangenconflict. Daartoe is kennis vereist van het dieet van zeehonden, hoeveel ze eten en waar ze hun voedsel vandaan halen. Als die conclusie luidt dat er een belangenconflict is zou het onderzoek zich vervolgens moeten richten op mogelijkheden tot het voorkómen van die conflicten. Kennis van de voedselecologie van de zeehonden in de Nederlandse Waddenzee en aangrenzende kustzone is uiterst gering en de laatste studie daarna is in 1933 uitgevoerd. Alterra is in middels op verzoek van LNV een onderzoek gestart naar de voedselecologie van gewone zeehonden. Dat wordt uitgevoerd in samenwerking met o.a. het RIVO.
Aanbevelingen
Geef hoge prioriteit aan voortgaande monitoring van de populatie, inclusief trendanalyses, en neem die structureel op in meerjaren onderzoeksplannen van de overheid
Start een voorlichtingscampagne waarbij onafhankelijke informatie wordt gegeven over de status van de populatie en natuurlijke regulatieprocessen die binnen de populatie optreden w.o. de rol van ziektes
Geef ter onderbouwing van het te formuleren overheidsbeleid en ter voorkoming van onverwachte problemen hoge prioriteit aan meer onderzoek naar de draagkracht van de Waddenzee voor zeehonden, de voedselecologie van zeehonden, en de invloed van verstoring op zeehonden.