Fecunditeit* in relatie tot vetgehalte
In 2008 is het haringseizoen twee weken later begonnen dan normaal, 14 juni i.p.v. 31 mei. Dit is gebeurd omdat het vetgehalte van de haring nog niet het vetpercentage van 16% of meer had bereikt.
Onze ‘maatjes’-haring is de haring die goed opgevet is vlak voor het afzetten van hun eieren. In dit project wordt gekeken naar de relatie tussen het vetgehalte en het aantal eieren dat afgezet wordt door een vrouwtjesharing, de fecunditeit.
De exacte reden voor later vet worden van de haring is niet bekend. Er kunnen vele oorzaken zijn, zoals de invloed van temperatuur. Als gevolg daarvan kan de ontwikkeling van het plankton (het voedsel van haring) later op gang komen.
Een andere mogelijke oorzaak kan een verandering in de samenstelling van het plankton zijn.
In ieder geval is het vetgehalte van de haring van groot belang voor het aantal eieren dat een vrouwtje kan produceren. In dit project willen we onderzoeken hoe die relatie tussen vetgehalte en het aantal geproduceerde eieren is. Er worden voor en tijdens het paaiseizoen monsters verzameld van volwassen vrouwtjes haring uit de Noordzee. Daarbij wordt van de vis een aantal gegevens verzameld: lengte, gewicht, rijpheidsstadium, leeftijd, paaitype, kuitgewicht, fecunditeit en vetgehalte. De meeste van deze gegevens kunnen rechtstreeks aan de vis gemeten worden. De leeftijd en het paaitype worden bepaald door het aflezen van otolieten. Otolieten zijn gehoorssteentjes die meegroeien met de vis en net als bomen een ringpatroon laten zien waarmee de leeftijd bepaald kan worden. Door het bekijken van het patroon van larvale dagringen kan bepaald worden wat het paaitype is (of de vis gepaait is in het voorjaar, najaar of winter). De fecunditeit wordt bepaald door het nemen van histologische kuitmonsters en daarin wordt het aantal eieren bepaad dat afgezet gaat worden door een vrouwtje en het aantal eieren dat geresorbeerd wordt.
Dit project is een combinatie van praktische veld-en labwerk en het uitwerken van gegevens.
* fecunditeit = biologische vruchtbaarheid